Als Romaanse taal stamt het Italiaans af van het Latijn. Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk behield het Latijn aanvankelijk zijn betekenis als bestuurs- en kerktaal. Maar al in de tijd van het Romeinse Rijk had zich een gesproken variant van het Latijn ontwikkeld, het zogeheten Vulgair Latijn. Daaruit ontstonden na verloop van tijd de afzonderlijke Romaanse talen.
Vanaf de negende eeuw verspreidde zich het Oud-Italoromaans als eerste fase in de ontwikkeling van het Italiaans. Deze vroege fase wordt vooral gekenmerkt door de verspreiding van Italoromaanse teksten uit verschillende regio’s.
Vanaf 1275 volgde het Oud-Italiaans. Deze tweede fase kenmerkt zich vooral door het bestaan van Oud-Toscaanse teksten. Vooral in Toscane ontstonden de eerste belangrijke literaire werken. Hier zijn met name de werken van de Italiaanse schrijvers Dante Alighieri, Francesco Petrarca en Giovanni Boccaccio toonaangevend. Het einde van deze tweede fase wordt gemarkeerd door de dood van Boccaccio in 1375. Boccaccio geldt als de grondlegger van de prozavertelkunst in Europa.
In de vierde fase van de ontwikkeling van het Italiaans was er een overgangsperiode van het Oud-Italiaans naar het Nieuw-Italiaans. Deze fase loopt tot de verschijning van de taaltheoretische verhandeling “Prose della volgar lingua” van de Italiaanse schrijver Pietro Bembo.
De periode van 1525 tot 1840 wordt tot het Nieuw-Italiaans gerekend. In die tijd werd het Florentijns van het trecento de literaire taal van heel Italië. De historische roman “I promessi sposi” (De verloofden) van Alessandro Manzoni markeert het einde van deze fase. Manzoni schreef zijn werk in het Toscaans van de ontwikkelde Florentijnen (Nieuw-Florentijns). Zo was dit werk bepalend voor het ontstaan van een eenduidige Italiaanse literaire taal en is het qua taalkundige betekenis vergelijkbaar met de Bijbelvertaling van Maarten Luther.
De laatste fase in de ontwikkeling van de Italiaanse taal, die nog niet als afgesloten geldt, noemt men het “Italiano del Duemila”.
Typisch voor Italië is de zogeheten diglossie, de tweetaligheid van een hele samenleving. Het Standaarditaliaans wordt alleen in de schrijftaal en in formele situaties gebruikt. In mondelinge communicatie wordt het regionale dialect gebruikt. Door een grotere mobiliteit en de plaatsonafhankelijke verspreiding van taal via massamedia zijn er de laatste decennia echter verschillende variëteiten van het Italiaans ontstaan, die niet meer alleen tot de standaardtaal, het Florentijns, te herleiden zijn. Die dynamiek leidt vaak tot onzekerheid, omdat er deels geen eenduidige normen zijn.
De verschillende dialecten die in Italië worden gesproken, verschillen onderling soms behoorlijk. Wat ze gemeen hebben, is dat ze allemaal teruggaan op het gesproken Latijn en dus ook als Latijnse dialecten zouden kunnen worden aangeduid. Grofweg onderscheidt men Noord-, Midden- en Zuid-Italiaanse dialecten. Door de al beschreven taalontwikkeling geldt het Toscaans of Florentijns als synoniem voor de standaardtaal. Alleen het Sardijns (Sardinië), het Ladinisch (verschillende Alpendalen in Noord-Italië) en het Friulisch (Friuli/Udine) worden inmiddels als zelfstandige talen erkend.
Feiten over de Italiaanse taal:
Foto: eyetronic - Adobe Stock
Luister naar meer dan 1.700 professionele stemmen of laat ons een casting voor je samenstellen.
Reacties (0)